5f44b755
U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.
door Jos Hoedeman en Hans Meulblok, fotografie alle deelnemers
 
De stuwdam bij het Brokopondomeer De stuwdam bij het Brokopondomeer
Deel 4: Brownsberg
We zullen slechts enkele dagen verblijven in het natuurpark Brownsberg 130 km ten zuiden van Paramaribo. We vliegen van Djumu, het centrale dorp bij Apiapaati, rechtstreeks naar Brokopondo en van daaruit rijden we met een busje naar Brownsberg.

Brownsberg
Brownsberg is vernoemd naar een goudzoeker van weleer. Later dacht de Bauxiet-maatschappij Suralco daar veel bauxiet te vinden maar de opbrengsten vielen tegen; zodoende werd het gebied overgedragen aan Stinasu, de stichting voor natuurbehoud in Suriname. Het 6000 ha grote natuurpark ligt op een plateau dat 500 meter boven het overige landschap uitsteekt. Het gebiedje herbergt een schat aan planten en dieren en is goed toegankelijk via diverse wandelpaden zodat we er makkelijk kikkers kunnen waarnemen. Op sommige plaatsen heb je een fantastisch uitzicht op het Brokopondomeer ofwel Stuwmeer.

Brokopondomeer en Afobakkadam
In de jaren 60 is deze dam aangelegd voor een waterkrachtcentrale om de stroomvoorziening bij de aluminiumfabricage te leveren. Mens en dier moesten daar voor wijken. De bevolking werd geëvacueerd naar nieuw gebouwde dorpen. Het stuwmeer werd in 1964 afgesloten, bereikte in 1971 zijn huidige waterstand en kreeg daarbij een omvang zo groot als de provincie Utrecht. Uit kostenoverweging heeft men de bomen niet gekapt waardoor nauwelijks scheepvaart mogelijk is. De bomen steken boven water uit en worden nu alsnog omgezaagd. De kwaliteit van het hout is uitzonderlijk omdat de bomen veertig jaar in het water hebben gestaan Brulapen
Uitzicht over het meerUitzicht over het meer
Het laatste stuk naar onze verblijfplaats moeten we lopen. Er vallen noten uit de boom, althans de schillen ervan. Apen? We kijken omhoog en ontdekken een roodbruine aap, een brulaap. Het blijken er in totaal zeven te zijn, één man, twee jonge dieren en de rest is halfwas of vrouw. Het zijn de rode brulapen, Alouatta seniculus. Het zijn flinke apen van zo’n 50 tot 60 cm en het mannetje is nog iets forser. De grijpstaart is bijna 70 cm lang. Deze dient als vijfde arm en is sterk genoeg om het hele gewicht te dragen.
Brulapen zijn dagactieve boombewoners en komen voor in verscheidene bostypen van het noordelijk deel van Zuid-Amerika. De brulapen leven voornamelijk van bladeren, meer dan enige aap van de Nieuwe Wereld. Ook eten ze vruchten, bloemen en ander plantaardig materiaal en zijn gek op vijgen. Ze eten per dag wel een kilo bladeren terwijl ze zelf zo ongeveer 7 kilo wegen. Om giftige bestanddelen te neutraliseren komen de brulapen naar de grond om van de mineraalrijke grond te eten. Doordat er weinig energie in bladeren zit, zijn het kalme dieren, die ook een groot gedeelte van de dag rusten. De dieren leggen per dag slechts kleine afstanden af van ongeveer 500 meter.
BrulaapBrulaap
Wanneer we wat langer blijven staan staken ze hun maaltijd en trekken enkele tientallen meters verder. We zullen ze nog vaak genoeg horen; vooral in de vroege ochtend, heel vroeg dus. De brulapen zijn bekend om het luide, diepe brullen dat het mannetje uitstoot. Het geluid is zo intens dat je de indruk krijgt dat de hele groep aan het concert meedoet maar het is alleen het mannetje, de leider van de harem. Het brullen kan van ver te horen zijn: tot drie kilometer in dicht bos. De mannetjes kunnen de gehele dag door brullen, maar ze zijn vooral rond zonsopgang en zonsondergang te horen. Vooral 's ochtends laten de mannetjes van één groep brulkoren horen, die worden beantwoord door mannetjes van andere groepen. Het brullen dient voornamelijk om andere groepen brulapen erop te wijzen waar de groep zich bevindt. Door hun locatie bekend te maken, kunnen groepen elkaar mijden, waardoor territoriale gevechten worden voorkomen.
UitzichtUitzicht
Luchtvochtigheid
Nog voor het ontbijt gaan we op verkenning uit. De hoge luchtvochtigheid is duidelijk voelbaar. Als we aan het eind van het pad over het meer kijken zien we de nevels optrekken. De hoge luchtvochtigheid van de nacht lost langzaam op bij het stijgen van de temperatuur.
Ook dat is een facet in het aquaterrarium. Bij het vallen van de avond daalt de temperatuur, neemt de luchtvochtigheid toe en loopt gedurende de nacht op naar 90 – 100 %. Dat voelt klam aan, gelukkig stijgt de temperatuur in de loop van de dag.
In het aquaterrarium zullen we daarom ’s avonds sproeien en de temperatuur laten zakken. We bouwen het licht af zodat na 22.00 uur alleen de nachtverlichting brandt. Vervolgens is het belangrijk om in de ochtend de zonnewarmte na te bootsen en de luchtvochtigheid te verlagen. We ontsteken de lampen en de spots zodat we van een nachttemperatuur van 20˚ C naar een dagtemperatuur van 28˚ C gaan. De vochtigheid gaat naar 70 %, de bladeren worden droger en de voorruit moet dan binnen een uur droog zijn. Met behulp van (computer)ventilatoren gaat dat zeer efficiënt. Wanneer we het terrarium te lang nat houden is dit funest voor Tillandsia’s die dan op den duur wegrotten.
Mabuya nigropunctata, Bosskink
De eerste wandeling die we na het ontbijt maken, laat al veel van de rijke natuur zien. Hagedisjes schieten weg tussen de struiken, een dendrobates blijft stil op een blad zitten en een klompvoetkikker klimt over wat takjes.
Dan krijgen we op een omgevallen boom een skink in het oog. Het diertje staat klaar om weg te vluchten. We houden ons stil, naderen de boom voorzichtig en krijgen voldoende tijd om te fotograferen.
Het is de Surinaamse bosskink, Mabuya nigropunctata, met een totale lengte van bijna 20 cm. Het lichaam is vrij stevig en rond, evenals de staart, waarschijnlijk een vrouwtje. De mannetjes zijn iets kleiner en slanker. Bosskinks zijn vivipaar zodat de jongen geheel in het moederlijf tot ontwikkeling komen alvorens zij met de buitenwereld kennis maken. Het heeft mooie glanzende schubben, de rug is bruin, de buikpartij is lichter van kleur tot bijna geelachtig en over de flanken lopen twee donkere, nagenoeg zwarte strepen. De vrij korte poten hebben relatief lange tenen.
Deze skink is dagactief en verblijft op open plekken waar de zonnestralen nog mooi door het gebladerte doordringen. Ze eten voornamelijk insecten. Het zijn goede klimmers wat blijkt wanneer het dier de poten neemt en zijn heil in en achter een wat hogere boom zoekt.

Kentropyx calcarata, een boshagedis
Het lijkt wel of we deze ochtend alle hagedisachtigen van Brownsberg zullen ontmoeten. We hadden al een Ameiva, een vrouwtje, gezien en nu alweer zo’n flinke hagedis van bijna 25 cm.
Het diertje scharrelt met schichtige bewegingen tussen het gebladerte op de bodem tot het ons in de gaten krijgt en oplettend stil staat, klaar om te vluchten. We hebben geen kwade bedoelingen en zodoende blijft de hagedis enkele minuten voor ons poseren.
Het is de Kentropyx calcarata, een boshagedis, die in noordelijk Brazilië, Venezuela en de Guyanalanden voor komt. Opvallend is de lichte geelgroene streep over de kop die bij jonge dieren wat feller is. Dat is hier waarschijnlijk het geval omdat de volwassen Kentropyx ruim 30 cm wordt. Wat verder opvalt is de zwarte nettekening over het bruine lijf. Gezien de flinke achterpoten zal het dier zich makkelijk en snel kunnen bewegen. Zoals zoveel hagedissen foerageert het dier op zonnige plekken in het bos op zoek naar allerlei insecten zoals spinnen, kakkerlakken, sprinkhanen, kevertjes en termieten. Het vrouwtje legt soms wel 8 aan elkaar gekleefde zachte witte eitjes in boomholtes. Wanneer de eitjes uitkomen, kun je de kleine fel gekleurde hagedisjes over de planten zien klimmen.
LianenLianen
Lianen
Het pad is goed begaanbaar maar nu wordt onze weg versperd door een machtige liaan die zich ooit vanuit een boomtop heeft laten afzakken. De meeste lianen zijn houtige klimplanten die via een stevige boom hun weg naar het licht vinden. Zij kronkelen omhoog zoals een bosrank (Clematis) dat kan doen. Er zijn echter ook lianen waarvan de zaden zich in de boomtoppen ontwikkelen en van daaruit de bosgrond zoeken om sporenelementen op te kunnen nemen. Er zijn vele plantenfamilies die lianen in hun gelederen hebben. De typische gekrulde lianen die als een veer ineengerold zijn behoren tot de zeepboomfamilie. Daarnaast zijn er ook lianen met luchtwortels. In het oerwoud fungeren de lianen als snelweg voor de hagedissen. Ook gebruiken de dieren deze transportbanen om van de ene boom naar de andere te komen zonder naar de bosbodem terug te hoeven keren.
Afstervende lianen die al flink houtachtig zijn, zijn vaak bemost zoals wij hier op ons pad tegenkomen. Ook in het terrarium kunnen we lianen toepassen. Ze zijn decoratief, kunnen dieptewerking geven en dienen natuurlijk voor onze dieren als snelweg door het terrarium.
IrenevalIreneval
Leoval
We lopen naar de Leoval. De tocht ernaar toe is al een belevenis. We doen het op ons gemak om ondertussen ook links en rechts naar bewegende of stilzittende diertjes uit te kijken. Aha, een klompvoetkikker, een gestreepte dendrobates, maar ook vinden we weer diverse hagedisjes. We moeten enkele tientallen meters dalen om aan de voet van de Leoval te komen. Het pad is zelfs zo stijl dat er een soort treden zijn aangebracht en latten langs de kant die als leuning dienen. De Leoval is grotesk van nietigheid. Er klettert wat water over een hoogte van ca tien meter. We kunnen ons echter wel voorstellen dat er na een flinke bui en nog meer in de regentijd het stroompje tot waterval van allure kan uitgroeien.
De terugtocht naar boven doen we in etappes ondanks onze redelijke conditie.
We nemen de hoofdweg terug naar onze hut. Het heeft nauwelijks geregend maar toch moeten we oppassen voor de diverse waterplassen op de weg waar de enkele passerende auto’s het water hoog laten opspatten. 
We wandelen verder en zien telkens weer interessante dingen waar we even bij stil staan. Onze snelheid is dan ook niet geweldig, slechts Kikkerlarven
Tot onze verbazing vinden we in deze volgelopen wielsporen kikkerlarven, kikkervisjes van verschillend formaat. Van veel kikkersoorten zetten de vrouwtjes eieren af in de trechters van bromelia’s als daar water in staat wat natuurlijk in de regentijd veelvuldig voor komt. Wanneer de eitjes uit zijn gekomen, duikt het mannetje in de bromelia of vaak in meerdere bromelia’s waarbij de larven op hun rug blijven plakken. Het mannetje brengt de larven naar een stilstaand watertje. De larven die zich op de rug vastgezogen hebben, laten zich in het vrije water glijden. Natuurlijk is het dom van de kikkers om deze wielsporen als kraamkamer te gebruiken, maar weten zij veel van onze moderne technieken; water is tenslotte water. Toch valt de schade mee. De autobanden stuwen het water voor zich uit en zodoende zullen een aantal kikkervisjes het avontuur overleven. Uiteindelijk hebben we wel meer rare plaatsen gezien waar we kikkervisjes zagen, een oude afgedankte kano met een flinke plas water en een regenton buiten dienst die de natuur te hulp kwam.
Precies op tijd komen we in onze hut terug voor het middageten. We rusten even en dan trekken we weer de natuur in. Niet al te ver want er dreigt een bui. Het is tenslotte het begin van de kleine regentijd. Het geluk is met de domme want precies wanneer het gaat regenen zijn we in de buurt van het restaurantje. Na één biertje klaart het alweer op en trekken we verder. Dan zien we hem, een pijlgifkikker van ca 3 cm met larven op zijn rug. Het is het mannetje van de Epipedobates trivitates dat naarstig op zoek is naar een
watertje om zijn ouderlijke taak af te kunnen ronden. Hetzelfde dagactieve kikkertje zagen we ook al bij Apiapaati. Ons  Surinaams

plantje, een Columnea soort

 
 
Door ons ontdekt Surinaams plantjeDoor ons ontdekt Surinaams plantje
 
 
 
De witte bloeiwijzeDe witte bloeiwijze
Langs het pad zien we regelmatig ons Surinaams plantje althans onder die naam kennen wij het in onze Nederlandse terraria. In het terrarium groeit de plant zeer goed en moet wekelijks teruggesnoeid worden. De bladeren zijn evenals de stengels behaard. Op zonnige standplaatsen heeft het mooie getekende roodachtige nerven zoals we dat ook in ons terrarium zien. Maar eigenlijk zoeken we een bloeiwijze. Op een rottende boomstam deels in de schaduw zien we een exemplaar met ontluikende knoppen. De bloem lijkt buisvormig te worden wit met een geel hart. De meeldraden staan op het punt van uitstulpen. Meestal worden bij Columnea’s eerst de meeldraden rijp en daarna de stamper. Jammer dat we geen volledig uitgegroeide bloem hebben ontdekt. Ook in het terrarium is het nog niet gelukt om de plant tot bloei te brengen. Peperomia obtusifolia
We lopen een deel van een gemarkeerde rondwandeling. We maken vrij veel foto’s en staan om de haverklap stil. Het blijkt dat we 600 meter in drie kwartier lopen. Wouw, dat is nog geen km per uur. Het voordeel is dat we elke cm van het bos gezien hebben. We hebben dan ook weer de nodige voor ons onbekende kikkertjes en hagedisjes gezien.
Het is dus niet verwonderlijk dat we de epifytisch levende Peperomia in de gaten krijgen. Deze heeft zich genesteld op een paar dode takken in de halfschaduw. De bladeren zijn relatief dik waardoor ze een droogteperiode redelijk kunnen doorstaan. Ze staan weliswaar in een vochtige omgeving maar kunnen zelf geen vocht opnemen uit de bodem. In het terrarium is het een geschikte plant voor de midden zone, niet te droog en niet teveel licht. De lange aar vormige bloeiwijze geeft aan waarom de soort wel rattenstaart wordt genoemd.

De steltloperleguaan, Plica plica
Terug bij onze blokhut vinden we op twee meter hoogte een leguaantje van ca 30 cm als het ware aan de boom geplakt. Met zijn klauwtjes lijkt hij muurvast te zitten. Je zou er zo je jas aan op kunnen hangen als aan een kapstok. Meestal vluchten deze diertjes naar de achterkant van een boom zoals bij ons de eekhoorntjes doen. Dit diertje vertrouwt wel heel erg op zijn schutkleuren of is intussen gewend aan nieuwsgierige toeristen.
Het blijkt een Plica plica te zijn, een boomklimmer, een niet al te grote boomleguaan met een vrij plat lichaam en een brede kop. Deze leguaan heeft goede camouflage kleuren, mosgroen met bruine en grijze banden. Plica’s zijn echte regenwoudbewoners die leven op het onderste deel van boomstammen en bij onraad snel aan de andere kant van de boom naar boven vluchten. In een terrarium dienen we de leguaan een vochtige omgeving aan te bieden en een flinke hoog opgaande loopruimte met veel planten als schu ilgelegenheid.
De steltloper, zo genoemd vanwege zijn lange poten, is een insecteneter die spinnen, sprinkhanen en kakkerlakken en ook veel mieren weet te verschalken en daarnaast ook af en toe wat vruchten op zijn menu heeft staan. Het verspreidingsgebied strekt zich uit over het hele noordelijk deel van Zuid-Amerika.Schuimnest
Het is onze laatste dag op Brownsberg. Na het ontbijt pakken we onze bagage in want om 10 uur moet de blokhut leeg zijn. We worden ’s middags om 4 uur pas opgehaald en geven onze bagage af bij de receptie, een houten kot met een balie.
Weer maken we een leuke wandeling en zien een heel klein hagedisje van nog geen 5 cm, een Arthrosaura kockii. Het diertje is bruin gekleurd met een lichtbruine streep over zijn rug die vlak achter de kop begint tot de achterpoten waarna deze lichte kleur geheel in de staart overgaat. SchuimnestSchuimnest
Marcel, onze gids weet allerlei dieren te vinden en geeft hier en daar uitleg. Op een boomstronk zien we een schuimnest van een kikker die daarmee haar eitjes beschermt tegen uitdrogen. Het is geen ideale plek want normaal vind je zo’n schuimnest boven een watertje. Nu hebben de kikkertjes zich laten misleiden. Gisteren heeft het flink geregend en heeft er ongetwijfeld een plasje onder de boomstronk gestaan.
Het maken van een schuimnest is een heftig karwei. Het mannetje fluit naar het vrouwtje met een paringsroep wanneer hij denkt een geschikte afzetplaats gevonden te hebben. Aan het begin van het paringsritueel scheidt het vrouwtje via haar cloaca een stroperig vocht af dat met water tot schuim geklopt kan worden. Beide echtelieden trappelen met hun achterpoten de massa tot schuim. Deze trappeldans leidt er meteen toe dat er eieren afgezet worden en door de man bevrucht of eerst bevrucht en dan afgezet; je weet maar nooit. Wanneer het bouwwerk tot beider tevredenheid solide genoeg is, wordt de paringsplek omgedoopt tot kraamkamer. De larfjes moeten het nu verder zelf doen. Die mogen hopen dat het voldoende regent om in een plas met voldoende water terecht te komen.
Marcel bezweert ons met enige opwinding dat we het schuimnest met rust moeten laten omdat dit kwade geesten kan oproepen. Als we vertellen hoe en waarom de kikkers dit produceren is dit nieuw voor hem maar de kwade geesten kunnen we hem niet uit het hoofd praten.

De bonte Atelopus, Atelopus spumarius
Hij wil graag van onderwerp veranderen en vindt al snel een kikkertje, een klompvoetkikker. Eigenlijk is het gestippelde dropje zonder zwemvliezen een kleine pad en luistert naar de naam Atelopus spumarius. Het is een langgerekt plat dingetje van misschien 3 cm en prachtig van kleur. Het is dof zwart, bezaaid met goudgele vlekjes, kringetjes en streepjes, een juweel om te zien. Het diertje is blijkbaar dagactief want het scharrelt over de bodem en even later klautert het met trage pas over een tak omhoog. Waarschijnlijk hebben we een mannetje te pakken want vrouwtjes zijn wat groter, tot 4 cm. Over de voortplanting zijn we alleen maar te weten gekomen dat de kikkervisjes in stromend water voorkomen. Van de Atelopes spumarius zijn twee variëteiten bekend. De variëteit met gele tekening is de A. spumarius hoogmoedii die over het hele Guyanaschild en het noordelijke Amazonegebied voor komt. De Bonte Atelopus met een rode tekening is de ondersoort A. spumarius burtoni die zich tot nog toe alleen in Frans Guyana heeft laten zien.
Deze ochtend treffen we wat meer kikkers en padden dan gisteren toen blijkbaar de hagedissen aan de beurt waren. Dat is een lekker gevoel dat we kikkers zien want uiteindelijk zijn we op kikkertoer. Zo vinden we weer een reuzenfluitkikker, Leptodactylus pentadactylus, die we ook bij de Kaboerikreek en rond Apiapaati hadden gezien. Straks zullen we ook nog de Bufo blombergi tegen komen die we de eerste avond op Wonotobo zagen. Maar eerst zien we de Bufo typhonius, een Bladpad die midden op de dag tussen de blaadjes in de bosbodem naar voedsel zoekt.Bufo typhonius, een Bladpad
Buffo tifonicusBuffo tifonicus
Hans had deze pad al enkele jaren eerder in Frans Guyana gezien toen hij bij Joep Moonen op bezoek was in een tropisch natuurcentrum. Joep heeft een boek geschreven voor gebruik in het onderwijs, speciaal voor de Surinaamse jeugd en natuurlijk voor toeristen die de Guyanalanden bezoeken. Wij hebben het boek met de titel: “Fauna van het Guyanaschild: Suriname” veelvuldig geraadpleegd.
Onze bladpad, Bufo typhonius, is ca 5 cm groot en maakt kleine huppelsprongetjes op zoek naar insecten maar als het diertje stilzit valt het nauwelijks op. Even later springt het diertje op een tak en klautert naar boven. De pad heeft een schakering van bruine kleuren op zijn rug waarmee hij weinig opvalt op de bosbodem. Midden op de rug en langs de flanken loopt een lichtere streep die gezamenlijk de contouren van een blad, compleet met middennerf, suggereren.
Het mannetje lokt het vrouwtje met een roep die meer op een tjilpend vogelgeluid dan op kwaken lijkt. De eitjes worden in een stilstaand watertje afgezet waarna ze meteen door het mannetje worden bevrucht. Deze Bufo’s komen in het hele noordelijke Amazonegebied voor, inclusief de Guyanalanden.
 
Agoeti, een goudhaas, Dasyprocta leporina
Het is weer etenstijd. Vanuit het restaurantje kijken we naar de bosrand en dan verschijnen er ineens twee agoeti’s. Grappige dieren zijn het. Ze voelen zich onbespied en knabbelen aan iets eetbaars waarbij hun voorpootjes als handjes het betere knaagwerk begeleiden.
De naam goudhaas is enigszins te begrijpen als je naar de vorm met de lange poten en vooral naar de oranjegeel gekleurde vacht op de rug kijkt. Ze hebben echter niets met hazen of konijnen gemeen. Het zijn flinke knaagdieren van zo’n 50 cm en hebben wat betreft hun gedrag dan ook meer weg van capibara’s en eekhoorntjes. Ze eten vruchten en zaden.
We naderen ze voorzichtig om met de telelens enkele foto’s te kunnen maken. Maar bij het horen van een auto die het erf op rijdt, rennen ze snel weg. Ze springen over een boomstam en zijn dan
uit het zicht verdwenen We nemen afscheid
 
Larven in een plasLarven in een plas
Ons busje arriveert om 4 uur en zal ons hotsend en botsend naar Paramaribo brengen. Ons verblijf in Brownsberg was kort en hevig. We kijken nog eens om en zien alweer de reuzenfluitkikker. Nu zit hij tegen een paal geklemd en kijkt ons meewarig aan. Zo tegen een paal ziet hij er slanker uit dan toen we hem door het bos zagen kruipen. Het is alsof hij ons uitzwaait….. Mi e sjie joe ofwel tot ziens.
We hebben een prachtige avontuurlijke reis gehad. We hebben geweldige watervallen en stroomversnellingen gezien. We zijn bij indianen en bosnegers geweest. Bovenal hebben we genoten van de indrukwekkende natuur met prachtige planten en veel dieren, vooral hagedissen en kikkers. We waren echt op kikkertoer.
Nadat u na het lezen van dit artikel ook een natuurreis naar Suriname wil gaan maken kunt u mij mailen voor meer informatie.
Als u meer beelden wil zien van onze reis klik op de links u kunt dan nog van 1000 foto’s genieten, deze foto’s vallen ook onder mijn copyright.