5f44b755
U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Deel 2: Kaboerikreek

Nadat we enkele dagen om en op de watervallen van Wonotobo waren, varen we in twee dagen terug naar Apoera. Van daaruit zullen we de Kaboerikreek verkennen met enkele overnachtingen op een indiaans kostgrondje. We hopen daar de reuzenotter te spotten. Na het passeren van de grootste stroomversnellingen komen we bij de Timmerie. Hier worden de boomstammen verzameld voor verder transport over de rivier. Ze worden dan rond pontons tot vlotten gebouwd en kunnen dan met een sleper naar de kust worden gevaren. Daarmee 

moet gewacht worden tot het eind van de grote regentijd. De waterstand in de rivier is dan ca 4 meter hoger en kunnen de vlotten ongehinderd over de stroomversnellingen worden geleid.  Bij de Timmerie zien we ook hoe een kano wordt gemaakt. De twaalf meter lange stam is al uitgehakt en wordt nu gebrand zodat de stam naar buiten uitzet. Er worden stukken hout tussen de reling randen geplaatst zodat na afkoeling een ruime zit opening overblijft. We overnachten op Zombi-eiland. Het is niet groot, binnen een half uur zijn we rond geweest en hebben we niet alleen wat kikkers gezien, maar ook een uitzonderlijk insect. Het blijkt een cicade te zijn, de lantaarndrager, Fulgora laternaria. Het diertje is wel 8 cm groot en heeft een enorme kop. Als we de harde dekvleugels uitvouwen, ontdekken we een prachtig schrikpatroon met levensgrote ogen. Met ingeklapte vleugels zijn ze goed gecamoufleerd en gaan ze geheel op in de omgeving. De lantaarndrager leeft in de oeverzone van allerlei watertjes, maar heeft ook open plekken nodig om te kunnen zonnen.

Op de rivierOp de rivier

In Apoera stappen we over op een kleinere korjaal en neemt Jozef, onze nieuwe gids, ons mee naar de Kaboerikreek. Deze kunnen we pas bevaren als het hoog water is, dus als het vloed is op de Corantijnerivier.

Het begin van de kreek is nog wijds maar al snel vernauwd het beekje zich en varen we langzaam stroomopwaarts. Hier en daar zijn de bomen al aardig begroeid met epifyten. Na een half uur varen we als het ware door een tunnel van bomen en planten. Allerlei epifyten gaan aan onze ogen voorbij, mocomocoplanten, orchideeën, bromelia’s en tillandsia’s.

De bromelia's zoals Bromelia guzmania komen op de takken veelvuldig voor dicht bij elkaar groeiend een ideale plaats voor de kikker om eieren in te leggen. Ook komt de Tillandsia bulbosa hier voor een epifitische tillandsia die op het kale hout groeit. Beide soorten gebruiken we ook in ons terrarium. Till. bulbosa kan dan middel hoog in het terrarium worden geplaatst. De plant heeft minderlicht nodig en kan meer vocht hebben. Dat kunnen we in ons eigen terrarium-regenwoudje ook maken. Bromelia’s steken we groepsgewijs op takken of stobben. We moeten wel water in de kokers houden. De plant blijft dan goed vochtig en de kikkers kunnen er eieren in leggen. In de natuur vinden we veel dood blad aan de planten er is niemand die ze er afhaalt. De keurmeester komt daar niet langs. Dus zou het in het terrarium ook wel kunnen. Toch houden we het thuis wat beter bij. Wel letten we op de hoogte van de planten. De groene Tillandsia’s hangen lager in de bomen dan de zilverkleurige dat moet ook in het terrarium.



Onze verblijfplaats is gehuurd van een Trio-indiaan. Er staan twee indiaanse hutten. De een wordt onze slaapplaats met de onderhand vertrouwde hangmatten, compleet met vogelspin. De ander wordt als keuken gebruikt. Daar is gereedschap, pijl en boog, een kasave pers, potten en pannen.

We varen met de motorkorjaal rustig over de kreek waar ijsvogeltjes, reigers en apen op de vlucht slaan als wij er aan komen. Het is echt een colakreek met af en toe ook ondiep water en moeten we zonder motor verder. Als we de boot op de stroom laten drijven, horen en zien we meer vogels. Het is zwart water als turfextract met op de bodem veel bladafval. en zal dus wel een lage zuurgraad hebben. Dat klopt. We meten een pH van 5 en een geleidbaarheid van 40 μS/cm. Terwijl de grote Corantijnrivier een pH van 6,5 en een geleidbaarheid van 25 μS/cm heeft. Tot onze verbazing komen we in dit zure water toch nog waterlelies tegen met een bladgrootte van ruim 50 cm en witte bloemen. De plek is niet echt zonnig, maar de kreek is nu wel breder zodat de bomen verder wijken en er voldoende licht op het water valt.
Begroeide takken  met Bromelia'sBegroeide takken met Bromelia's
Nog groter is onze verbazing wanneer we kleine gele bloempjes ontdekken. Het lijkt Cabomba aquatica en wanneer we dichterbij komen, onderscheiden we de fijne bladstructuur en ovale drijfblaadjes die de gele bloempjes dragen. Het is ongetwijfeld C. aquatica. Een zelfde plant hebben we ook in het zwarte water ten noorden van Manaos gezien. Ook toen vonden we de plant aan de rand van het woud in de halfschaduw.

Nog geen 15 meter verder treffen we nog wat gele bloempjes. Het is blaasjeskruid, een vleesetend plantje. We herkennen het aan de gele bloeiwijze met twee bloempjes op een 15 cm lange steel en natuurlijk aan de vangblaasjes. De vangblaasjes zijn bijna 2 mm groot. Ze hebben een dekseltje dat naar binnen openspringt als een klein waterdiertje de tasthaartjes aanraakt en daardoor de vangklok in werking stelt. Enzymen verteren de vangst en leveren het plantje de nodige stikstofcomponenten.

Waterplanten in bloeiWaterplanten in bloei

Het lijkt wel of we alles in één uur beleven. Nog geen km verder kijken we een kaaiman recht in de ogen, een jongvolwassen dier van 1½ meter. De brilkaaiman heeft zijn naam te danken aan de opstaande rand tussen de ogen. Een tweede kenmerk is de wipneus die hier juist boven water uitsteekt. De mannetjes kunnen een lengte van meer dan twee meter bereiken. Vrouwtjes blijven kleiner en zijn na 4 jaar geslachtsrijp. Ruim 20 eieren worden in een plantaardig nest afgezet en bewaakt. Het rottende materiaal moet voor een gunstige temperatuur van 30 / 33 ˚C zorgen. Na 3 maanden komen de eieren uit. Jonge dieren eten insecten en schelpdieren; later wordt het menu uitgebreid met vis. Volwassen dieren kunnen zelfs prooien van ruim 50 cm verschalken. De kleur is mosgroen-bruin die bij oudere dieren KaaimanKaaiman
Natuurlijk maken we ook weer boswandelingen. Zo vinden we een opossum, buidelrat, in een boom en ook weer een kikker. Het is een flink dier van ruim 15 cm (kan 18-20 cm) en wat ons het meest opvalt zijn de enorme achterpoten. Het blijkt de reuzenfluitkikker te zijn (Leptodactylus pentadactylus). In Apiapaati zullen we hem nog een paar keer zien. Telkens valt dan de zwarte streep op die vanaf de neus over de ogen tot achter de kop loopt. Dat zelfde geldt voor de typische dwarsstrepen op de gespierde achterpoten. Mannetjes blijven kleiner dan de vrouwtjes maar hebben dikkere voorpoten om de vrouwtjes beter in de paargreep te kunnen houden. Oudere dieren eten letterlijk alles wat beweegt en niet te groot is. Onder andere kikkers, kleine zoogdieren, vogeltjes en zelfs kleine slangen worden gevangen en in één keer doorgeslikt.

Deze fluitkikker komt in nagenoeg het hele Midden- en Zuid-Amerikaanse gebied voor. Het is een echte bodembewoner die meestal in de buurt van het water te vinden is waar hij bij gevaar snel in springt. Zoals alle fluitkikkers maakt ook deze soort geen kwaak- maar een fluitend geluid, vooral in de paartijd.
Godetodus HumaralisGodetodus Humaralis
Op een tak zit een Gonatodes humeralis een gekkosoort die dagactief is, die we zelden in gevangen schap tegen komen maar wel in Nederland gehouden en nagekweekt wordt. Het is een kleine hagedis die op een Phelsuma lijkt maar wel nagels op zijn tenen heeft. Het is weliswaar een schuw dier maar heeft prachtige kleuren. Op de terugweg naar Apoera krijgen we geheel onverwacht toch nog twee Reuzenotters (Pteronura brasiliensis) te zien. Gelukkig hebben we onze camera’s paraat, want zij hebben ons natuurlijk allang aan horen komen. Binnen een halve minuut glijden ze het water in en zien we alleen nog hun koppies met de spitse oren boven water uitsteken. Zij behoren tot de grootste marterachtigen met een lengte van meer dan 1,60 meter en een gewicht van ca 30 kg. Het is een lange slanke otter met korte stevig poten en een brede kop met opvallende snorharen. Ze hebben scherpe klauwen en tussen de vingers en tenen zitten zwemvliezen. De voorpoten worden als handjes gebruikt zoals we dat ook van eekhoorntjes kennen. De dichte vacht is bruin tot fluweel-zwart. Op de kin, keel en borst bevinden zich roomwitte vlekken en plekjes, die bij deze oudere exemplaren zijn samengegroeid tot een grote bef. We spotten de reuzenotters op hun strategisch gekozen rustplaats. Hier rusten ze, verzorgen hun pels en bewaken hun zorgvuldig verborgen nest.
OttersOtters
Reuzenotters leven sociaal in groepen van vier tot vijftien dieren. Hun territorium is vrij groot. Dat kan makkelijk 20 km kreek zijn. De jongen worden meestal in september geboren even na de regentijd. De 2 - 3 jongen van elk ca 200 gram zijn blind en behaard. Na enkele weken krijgen de jongen zwemles en weer later verdwijnt hun blindheid. Ze worden dan nog steeds gezoogd naast het vaste voedsel (vooral vis) dat ze krijgen en ook zelf vangen. Na ca 9 maanden hebben zij hun volwassen gewicht, hebben hun moeder niet meer nodig, eten naast vis ook allerhande waterdieren en foerageren zelfstandig binnen de groep.

Voor we terugvliegen naar Paramaribo overnachten we weer bij het huis van de bevriende gids. Aan de bosrand treffen we een grondhagedis, de junglerunner Ameiva ameiva. We betrappen hem juist als hij een holletje inspecteert. De ameiva is voor de Surinamers een zeer bekende hagedis omdat hij ook in de tuinen van de dorpen wordt waargenomen. Het is een bodembewoner van ca 50 cm. Bij de mannetjes is het achterlijf fel groen; de vrouwtjes hebben een mosgroen voorlijf. De junglerunner heeft zeer goed ontwikkelde achterpoten met vijf tenen. Bij gevaar gaan ze er enorm snel vandoor. Ze gebruiken dan alleen hun sterke achterpoten en lopen min of meer rechtop met een ongekende snelheid, de junglerunner waardig.

We vliegen terug naar Paramaribo en zien terug op een geweldige natuurervaring via reusachtige stroomversnellingen en de watervallen van Wonotobo met als schrille tegenstelling de vredige Kaboerikreek.