5f44b755
U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

Door Jos Hoedeman en Hans Meulblok, fotografie alle deelnemers

Deel 1: Wonotobo

Januari 2007 besluiten Jos Hoedeman, Richard Ceelen, Louis Verstegen en Hans Meulblok een avontuurlijke kikkertoer te maken in de oerwouden van Suriname. Natuurlijk gaan we voor de kikkers maar hopen ook te genieten van een stukje primitieve oernatuur. We zullen vele honderden km’s afleggen per bus, boot en vliegend.

We gaan diep de binnenlanden in. Allereerst naar de Wonotobowatervallen, 300 km zuidwaarts aan de grens met Engels Guyana. Halverwege bezoeken we de Kaboerikreek om de reuzenotter te kunnen spotten. Vervolgens gaan we weer 300 km ten zuiden van Paramaribo op bezoek bij een aantal bosnegerdorpen aan de Bovensurinamerivier. Op de terugweg maken we een aantal boswandelingen in het natuurpark Brownsberg.

De vertrekdatum, 3 maart, wordt zorgvuldig gekozen. We zitten dan precies in de overgang van de kleine droge tijd naar de grote regentijd. Het is belangrijk dat het regent. De kikkers komen dan te voorschijn; het bos gaat nog meer leven. De kikkers gaan paren, leggen eieren (vaak in bromelia’s) en brengen hun larven naar plassen of poelen.
Dit doen we ook in het terrarium. We kunnen de regentijd in het terrarium nabootsen door de hoeveelheid sproeiwater te doseren naar het seizoen. Het regenseizoen in het desbetreffende land kunnen we op de weersite vinden. Wij hebben de weersite van Suriname geraadpleegd en kwamen op die manier op maart uit. De agapad, Rhinella marina (vroeger Bufo marinus)

Al op de eerste dag van ons verblijf in Paramaribo vinden we een agapad, Bufo marinus, de Zuid-Amerikaanse reuzenpad.
Tegenwoordig heet het dier Rhinella marina. Het is een flink exemplaar van ruim 15 cm (kan 17-18 cm worden) dat in de duisternis bij ons hotel rondscharrelt; overdag houdt de pad zich schuil. Zoals alle padden heeft het dier een gedrongen bouw, korte poten, veel wratachtige klieren over het lijf en deze heeft een opvallend grote gifklier achter het oog. Alleen de achterpoten hebben zwemvliezen. Het is niet verwonderlijk dat het dier hier te vinden is. We zitten vlak bij een kanaaltje dat verbonden is met de Suriname rivier. De pad is een oerwoudbewoner die we vanaf het Amazonegebied en Midden Amerika tot aan Mexico kunnen tegenkomen, als er maar water, zelfs brak water, voor handen is.

Af en toe stapt het dier als een viervoeter terwijl zijn tong uitschiet naar elk insect dat in zijn gezichtsveld komt. Eigenlijk eet het dier alles wat in zijn bek past en dus ook gewone kikkertjes. We zullen de pad nog wel een paar keer tegenkom

en. Met zijn pokdalig uiterlijk en forse gestalte is het een indrukwekkend dier.
Voor we op de korjaal stappen lunchen we in Nieuw Nickerie aan een van de afwateringskanalen. Daar bewonderen we de koffieboonvogel ofwel jacana, een steltloper, die met zijn lange tenen over een wiebelend veld rose waterlelies wandelt. Deze zwartbruine vogel kun je in alle moerasgebieden van Zuid-Amerika tegenkomen. De rose waterlelie blijkt de heilige lotus, Nelumbo nucifera, te zijn. De plant wortelt in een modderige bodem. Toch zien de bladeren en bloemen met een diameter van wel 20 cm er opvallend fris uit. Deze lelie komt oorspronkelijk uit Indonesië en is in het Hindoeïsme het symbool voor zuiverheid. 

We varen van uit Nieuw-Nickerie 100 km zuidwaarts over de Corantijnrivier naar Apoera. We hebben een grote motorkorjaal met twee buitenboord-motoren en een dakje boven ons hoofd. Dat komt goed van pas als het weer eens hard gaat regen. De rivier is 3 km breed en heeft vele zandbanken die ook begroeid zijn. Het water is enigszins troebel. Het is een snel stromende rivier met een verval van wel 100 m per 100 km. Vele watervogels waaronder diverse reigersoorten vliegen over de rivier.

Na zonsondergang, 18.30u, gaan we aan land. De hangmatten worden onder het huis van een bevriende gids opgehangen. We kunnen terugzien op een reis van bijna 400 km per bus en korjaal.

Gelukkig is er ook water, een waterkraan op een paal waar je je kunt verfrissen. Hij staat in de voortuin van het huis en de passerende buurtbewoners zwaaien naar je als je daar in je onderbroek staat te wassen. 


Onderweg naar Wonotobo

Onze eerste tocht gaat naar een natuurgebied bij de watervallen van Wonotobo. De Wonotobovallen bestaan uit een serie watervallen en stroomversnellingen 350 km stroomopwaarts vanaf de monding van de Corantijnrivier die de grens vormt met voormalig Engels Guyana.

We vertrekken met een busje vanuit Paramaribo om 270 km verder in Nieuw-Nickerie over te stappen op een korjaal. De tocht voert langs het vruchtbare kustgebied met rijke landbouwgronden en een prachtige natuur met moerassen waar veel vogels voorkomen en dus ook rovers zoals de zwarte gieren en de zwaluwstaartwouw, een roofvogel die naast kleinere vogels ook grote insecten eet.

We passeren enkele rivieren en langs de oevers tussen de mangrovewortels vinden we wenkkrabben en vieroogvissen. In poeltjes bij de rivier ontdekken we enkele waterplanten waaronder de reuzenklimop, Hydrocotyle leucocephala, die hier en daar bloeide met witte bolvormige schermpjes op een ca 10 cm lange steel.      
Na een wat onwennige nacht in de hangmat met tropische nachtgeluiden (ook vleermuizen) vervolgen we onze reis.

Met de boot het is nog twee dagen varen, 200 km. De brede rivier wordt omzoomd door het oerwoud met hoge bomen en er is nauwelijks menselijke activiteit waar te nemen. De zon maakt het tot een paradijs van 32 graden maar wordt soms verstoord door een hoosbui.

De rivier heeft veel zandbanken en bezoeken deze ook en zoeken naar dieren en planten we vinden we een kolenbranderschildpad. Onze gids heeft al eten gekookt we eten kip met rijst. De waterstand van de rivier is erg laag veel rotsen steken meters boven water het is moeilijk varen tussen de stroomversnellingen. Het is elke keer weer spannend als de boot zo’n nauwe doorgang van 3 meter neemt waarbij de boot het hoog opstulpende water doorklieft. Onze gids is een van de weinigen die dit kan en het gebied kent. Op de zandbanken zien we kaaimannen, en Capibara’s.

In de late middag maken we op zo’n zandbank ons kamp op. We spannen een zeil tussen de bomen voor de regen en de hangmatten worden aan de bomen vastgemaakt. In de avond maken we een tocht over een zandbank in de rivier.

Met onze lampen op het hoofd ontdekken we allerlei dieren. Hun ogen gloeien op als we onze lampen er op richten. Zo ontdekken we een kaaimannetje van iets meer dan een meter, maar deze vlucht het water in zodra we op 30 meter genaderd zijn. Zo gaat ook een slapende reiger op de vleugels. Kleine kraaloogjes lichten op in het zand om daarna plots weg te vliegen; een nachtzwaluw. We besluiten om minder licht te gebruiken. Onze tocht voert nu langs een bosrand.

We ontdekken een lang wandelend lint. Het zijn parasolmieren. De nijvere dieren vreten van hun lievelingsboom een stukje blad van 1 x 2 cm en vervoeren dat in optocht naar het nest als voedsel voor de kraamkamers. We weten een nachtzwaluw te betrappen zonder het beestje op de vlucht te jagen. Dan vinden we nog een wandelend blad van ca 8 cm dat nauwelijks te onderscheiden is tussen de andere bladeren. Vervolgens ontdekken we 5 jonge kaaimannetjes van ca 20 cm. We zijn op kikkertour maar worden overweldigd door zoveel andere dieren in deze levende natuur dat we steeds enthousiaster worden. We zijn nog maar enkele dagen onderweg en hebben alweer zoveel nieuwe indrukken opgedaan. Voor we naar ons kamp teruggaan krijgen we nog een toegift in de vorm van een nachtvlinder. De volgende morgen gaan we weer op weg naar onze eindbestemming Wonotobo. De rivier wordt smaller en de stroomversnellingen zijn heftiger. Rond de middag genieten we van een mals regenbuitje maar aan het eind van de middag betrekt de hemel en worden we verrast door een fikse tropische bui. De regenval is zodanig dat het zicht nog maar enkele tientallen meters bedraagt. Het is perslot van rekening het begin van de grote regentijd.
Het uitbranden van een boomstam die als korjaal gaat worden gebruikt Het uitbranden van een boomstam die als korjaal gaat worden gebruikt Ook in ons terrarium sproeien meestal een keer per dag met regenwater of water met een laag kalkgehalte. De watersamenstelling van het sproeiwater is erg belangrijk als voedsel voor de planten. Het water verzamelt zich in de bromelia’s en dient als drinkwater voor de dieren. wij voegen ook vitamine en kalk toe aan ons sproeiwater, Het handmatig sproeien heeft mijn voorkeur. Je kunt de planten dan gedoseerd van water voorzien. Bromelia’s hebben meer water nodig dan de zilveren Tillandsia’s. 

     
Wonotobo


WonotobovallenWonotobovallen
Aan het einde van de dag arriveren we kletsnat op het watervallencomplex Wonotobo. Bij deze vallen is een dorpje dat wordt bewoond door de Trio indianen. Ons onderkomen is op een flink eiland opgebouwd en bestaat uit 3 open hutten waar we onze bagage op vlonders kwijt kunnen en onze hangmatten kunnen ophangen.. Het dak is prachtig op indiaanse wijze gevlochten van palmbladeren alsof het een oer-Nederlands rieten dak betreft.

Voordat de avond valt verkennen we de omgeving. Het is meteen raak. Het pad dat we volgen is redelijk smal en toch goed begaanbaar. We ontdekken weer van alles: een leguaantje, een Goliathkikker, weer een kikker (rana) en gekko’s. De Goliathkikker is wel flink maar blijkt helemaal geen Goliath te zijn. Die moet wel 30 cm groot kunnen worden en deze is 15 tot 18 cm. Bovendien hebben we hier te maken met een pad vanwege de wratten op zijn rug. Na wat zoekwerk vinden we uit dat de Goliathkikker uit Kameroen komt en als je die uitstrekt meet je van voor tot achterpoot 75 cm. Die hebben we dus niet gezien.

Bij nader inzien hebben we met de Bufo blombergi te maken hebben. De pad is in grootte te vergelijken met de Bufo marinus en kan nog iets groter worden. De B. blombergi is in 1951 gevonden in de oerwouden van Colombia en voor het eerst beschreven door Myers en Funkhauser. Het dier ziet er in ieder geval iets sympathieker uit dan de B. marinus. Natuurlijk heeft de B. blombergi ook gifklieren en wat wratachtige bultjes op zijn rug maar over het geheel is het dier gladder en minstens zo groot. Zoals alle grotere oerwoudpadden foerageert de B. blombergi in de vooravond en vreet alles wat aan levend voer voor zijn bek komt; het liefst flinke insecten en verder alle gewervelden tot 5cm.
Halsband leguaanHalsband leguaan
De watervallencomplex beslaat een gebied van ruim 5 km en bestaat uit meerdere vallen en stroomversnellingen. Als eerste bezoeken we de Engelsman. Op afstand krijgen we al een eerste indruk van de enorme oerkrachten van het water. Met hels kabaal wringt de enorme watermassa zich om en tussen de rotsen door om verderop weer uit elkaar te spatten. Een koor van cicaden probeert het watergeweld te overstemmen.
Diep onder de indruk vervolgen we onze weg naar de volgende vallen, de Hollander en de Fransman. Het grillige bospad herbergt allerlei verrassingen. We zien bloemen in de meest exotische vormen en kleuren, waaronder een rode passiebloem. Deze felrode passiebloem is een klimplant die zijn bloemstengel uitdagend vanuit zijn hoge positie presenteert om de insecten te lokken. Onze ogen komen tijd tekort. We vinden allerlei zwammetjes op rottend hout en Zelfs onze gids nadert ze met respect om ze dan met zijn onafscheidelijke kapmes voorzichtig te verwijderen. 5 cm zijn ze minstens van voor tot achterpoot. 

Ondertussen passeren we een plateau waar in de grote regentijd het water in een ongenaakbaar brede stroom zijn weg zal vinden. We vinden diverse hagedissen zoals halsleguaantjes die zich in de zon opwarmen en bij onze nadering schielijk de alom aanwezige rotsspleten opzoeken. Het is een ideale plek voor deze leguaantjes. Er is voedsel genoeg. Ze kunnen volop van de warmte van het plateau profiteren en er zijn schuilplaatsen om af te koelen.

’s Middags bezoeken we de 4e val of eigenlijk lijkt het meer op een stroomversnelling met 20 meter verval. De onderste rotspartijen zijn als enorme stepstones met grote sprongen nog te betreden en daartussen vinden we nog wat visjes. Zo te zien zijn het langwerpige karperzalmpjes van 8 cm met wat dwars streepjes. Ze laten zich echter nauwelijks zien.
Op de terugweg ontdekken we een kreekje. Er staat nog nauwelijks water in. Toch gaan we op onderzoek. Je kunt nooit weten. Het water is troebel en er zouden Corydoras kunnen zitten. Niet gezien dus. Waar het kreekje in helder water overgaat naar de grote rivier vinden we toch nog wat visjes. Apistogramma’s ? Het zijn in ieder geval cichliden en ook wat groter dan je van een dwergcichlide zou verwachten. Dan weten we het. Ontegenzeggelijk is het een vlagcichlide, Mesonauta festivus, nauw verwant aan de Discus en de Maanvis. Deze cichlide werd 40 jaar geleden veel geïmporteerd vanuit Engels Guyana, waar deze rivier aan grenst. De vlagcichlide had ik ook al eens bij de Rio Negro gezien. Ook daar scharrelde het dier aan de oever van een riviertje bij de uitloop van een kreek, blijkbaar een geliefde zoekplaats voor voedsel. Ook hier zijn ze met een klein aantal. We tellen er vier op een oppervlak van enkele vierkante meters.

We kijken nog eens rond en van valt het pas goed op. We zitten midden in een Zuid-Amerika biotoop. Dit is wat we in Nederland altijd willen nabootsen: EEN OERWOUDKREEK. Als we hier over een maand terug komen, aan het eind van de kleine regentijd, staat het kreekje flink onder water. Gegarandeerd dat er dan veel meer vis te ontdekken valt. Er zijn schuilplaatsen genoeg en vanuit het oerwoud wordt voldoende voedsel aangeboden.

Een bezoek aan de Trio indianen geeft een indruk hoe primitief deze mensen leven en veel kennis van de natuur hebben. De Trio indianen leven rond het grensgebied van Suriname en Brazilië. Het gebied waar de indianen wonen is zo groot als Nederland. De kleine groep van drieduizend man woont in dorpjes die ver van elkaar liggen. Ze leven van kleinschalige landbouw, jacht en visserij. De groep die wij bezoeken bestaat uit 6 gezinnen. Onze laatste nachtelijke tocht levert weer een typische boomkikker op, Hyla boans. Deze wordt ook wel de smidskikker genoemd. De Hyla boans is een flinke boomkikker die direct na de schemering actief wordt. We komen het dier op het spoor door een aanhoudend zagend krwak-krwak-krwak geluid. De glimmend lichtbruine Hyla heeft lange poten en is best groot, 10 cm, maar kan nog iets groter worden. Als alle Hyla’s heeft hij hechtschijfjes aan de vingers en tenen die als zuignapjes werken. Daarnaast vallen de grote bijna uitpuilende ogen op. We houden ons stil en het dier is op zijn qui vive. Wat zullen we doen. Eerst bewonderen of toch eerst een foto maken. We nemen het risico en worden toch nog getrakteerd op een krwak-solo. Dan is ons geduld op en maken vlug wat foto’s. Dan heeft ons model er genoeg van en gaat verder op insectenjacht. Hij klautert behendig omhoog om dan met een forse sprong uit ons gezichtveld te verdwijnen. Misschien gaat deze nog voor nageslacht zorgen. Aan de oevers van een kreekje wordt dan een vijvertje gegraven waarin de eitjes worden gelegd. Het geheel wordt afgedamd met steentjes en humus om wegspoelen te voorkomen. Ziezo, de kraamkamer is gereed en kan meteen als kindercrèche dienen voor de toekomstige kikkervisjes.

We hebben in een paar dagen ontzettend veel beleefd. Een uitgebreide versie de reis hebben in een powerpont presentatie verwerkt. Daarbij verwijzen we ook naar omstandigheden in het aquarium en terrarium
We laten de belevenissen bij Wonotobo achter ons en richten ons op de Kabuki Kreek die we vanuit Apoera zullen bezoeken. Misschien komen we de reuzenotter wel te